Dirigent.                                                         

Marga Roelofs-van Dongen

Interview door Jacob

 Op een zonnige ochtend in de herfst word ik door Marga gastvrij
ontvangen in haar huis – met de naam Rijnsteen – in Spijk.
We houden het gesprek op de als tweede woonkamer ingerichte
zolder, vanwaar we prachtig uitkijken over de Rijn.

Wilde je als kind al musicus of dirigent worden?

Nee, als kind wilde ik dokter worden. Dat bleef lang mijn ideaal.
Ik kwam op mijn veertiende in aanraking met een orthopedisch
chirurg en dat leek me een prachtig vak.

Kom je uit een muzikaal nest?

Ja, maar niet beroepshalve. Mijn vader was technicus. Hij was muzikaal: hij speelde blokfluit en gitaar, en hij zong.
Mijn moeder zong haar hele leven bij verschillende koren, met overgave. Daarnaast had ze veel taalgevoel. Ze droeg graag gedichten voor.
Er werd thuis veel naar klassieke muziek geluisterd. Mijn ouders waren liefhebbers van opera. Als kind al kwam ik regelmatig in het theater om voorstellingen bij te wonen.

Heeft dat je beroepskeuze beïnvloed?

Ongetwijfeld. Mijn vader wilde altijd dat ik Nederlands ging studeren. Maar hij was ermee ingenomen (en trots) dat de muziek mijn vak is geworden.

Wanneer zette je je eerste schreden op het muzikale pad?

Als kind van een jaar of zes. Ik ben in 1959 in Den Haag geboren, niet ver van de zee. Twee en een half jaar later al vertrokken we landinwaarts, naar Geldrop bij Eindhoven.
Ik ging daar naar de muziekschool voor Algemene Muzikale Vorming.
Op mijn tiende verhuisden we naar Arnhem. Hoewel ik liever piano wilde leren spelen, lieten mijn ouders me gitaarles nemen. Ik zong veel en begeleidde mezelf daarbij op de gitaar.
Ik was lid van het schoolorkest; daarin speelde ik blokfluit. Tijdens de laatste twee jaar van het VWO begon ik aan de vooropleiding van het conservatorium.

Was dat een moeilijke combinatie?

Ik heb het nooit moeilijk gevonden. Op zaterdagochtend kreeg ik, in een groepje van zes, les in solfège en muziektheorie. Op een ander moment in de week had ik gitaarles. Het studeren ging me tamelijk makkelijk af.

Welke studierichting heb je daarna op het conservatorium gevolgd?

Schoolmuziek. Een brede opleiding, met veertien vakken, die me klaarstoomde voor het vak van docent. Ik heb zowel in het middelbaar onderwijs als in het basisonderwijs (consulent/vakleerkracht) gewerkt.

Maar al snel ging ik me specialiseren in zang en koordirectie. Daar lag en ligt veel meer mijn hart.

Kun je eens onder woorden brengen wat je zo aantrekt in het vak van koordirigent?

Muziek maken, een instrument bespelen, zingen, is heerlijk. De expressie die je in muziek kunt leggen is grenzeloos. Een dirigent bespeelt een heel bijzonder instrument, namelijk het koor. Dat geeft een extra dimensie.
Als ik thuis achter de piano zit, dan vertalen mijn vingers mijn voorstelling van de muziek die ik speel.
Een koor dirigeren is een nog grotere uitdaging omdat je instrument uit mensen, menselijke stemmen bestaat.
Er is een technisch aspect: hoe laat je je zangers hun stem zo goed mogelijk gebruiken.
Er zit een didactische kant aan: hoe breng je zo duidelijk mogelijk over wat je verwacht; hoe bouw je een repetitie zo effectief mogelijk op.
Je moet kunnen omgaan met mensen; met een groep; leiding kunnen geven.
Je dient een duidelijke visie te hebben op een muziekstuk voor je überhaupt iets kunt overbrengen.
En last but not least: je geeft jezelf bloot in je expressie. Door je woorden, maar vooral door je handen, gebaren, lichaamshouding en mimiek maak je jouw interpretatie duidelijk en brengt die tot klinken.
Dat laatste is het meest fantastische aan dit vak.

Ik merk dat je er heel enthousiast over praat, gepassioneerd.

Volgens mij kun je dit vak niet op een zacht pitje doen. Het vraagt de volle overgave. Ik ben aan het eind van een repetitie meestal leeg. De andere kant is, dat ik ook vaak veel terug krijgt. Dat gééft weer energie.

Is muziek het centrale thema in je leven of is er ook plaats voor andere bezigheden en hobby’s?

Muziek, zingen, dirigeren is een grote passie. Maar er zijn er meer.
Reizen bijvoorbeeld. Met mijn man Wim –met wie ik in september 25 jaar getrouwd was- maakte ik vele reizen, het laatste decennium vooral ook ‘overzee’. We waren onder andere in de Verenigde Staten, in Indonesië,  China en Vietnam, in Zuid-Afrika, Mexico, en Cuba. Nieuwe reisplannen zijn er al weer volop.
Het is geweldig dat wij in de moderne tijd de mogelijkheden hebben om andere plaatsen op deze aardbol te verkennen.
Soms is muziek een ingang om ook in den vreemde dichterbij mensen te komen.
Op Sri Lanka leerde ik van onze gids Kamal volksliedjes. Op de afscheidsavond zongen we die tweestemmig.
Ik herinner mij ook hoe ik in Zuid-Afrika, in een lodge in het Krugerpark, heb gezongen met het keukenpersoneel. Ik kende Nkosi Sikelele i Africa (het ANC–lied) uit mijn hoofd. Binnen no time zongen we dit lied meerstemmig, compleet met ritme en beweging. Dat was ontroerend.

Mijn aandacht wordt getrokken door de vele maskers die ik hier op jouw zolder zie. Heb je die meegebracht van je verre reizen?

Ja, veel wel. Ooit ben ik in Italië getroffen door de Commedia dell’Arte-maskers. Ik was gefascineerd door de prachtig gemaakte objecten. Maar ik wilde ook meer weten over de achtergrond.
Ik ben me gaan verdiepen in de betekenis van maskers over de hele wereld. Niet alleen op het toneel of bij bepaalde feesten (carnaval, midwinterfeest) spelen zij een rol. In Afrika en Oceanië bv. worden ze gebruikt bij initiatie-rituelen (volwassen-wording), begrafenissen, machtsuitoefening. In Azië ook wel bij het uitdrijven van ziektes en het op de vlucht jagen van boze geesten. In Latijns-Amerika spelen de legendes van de indianen een grote rol.
Ik ben geïntrigeerd geraakt door de vele verhalen die bij die maskers horen. Ik wilde het fijne weten van volken en stammen, het gebied van de culturele antropologie.
Inmiddels heb ik een grote verzameling aangelegd. Ik mocht er een keer mee exposeren. En ik heb er verschillende keren les/lezingen over gegeven.
Misschien is de meest interessante vraag wel, of mensen mèt masker niet meer zichzelf zijn dan zonder.

Terug naar de muziek. Hoe ziet je muzikale leven er nu uit?

Ik heb in de tweeëntwintig jaar dat ik als dirigent werk, vele koren gehad, van diverse pluimage. Jongeren-, mannen- en vrouwenkoren heb ik onder mijn hoede gehad, en diverse gemengde koren, met een breed repertoire, zowel geestelijk als profaan.
Op dit moment ben ik dirigent van Cantorije Driel, een gemengd koor van ruim 50 mensen.
Sinds juni zwaai ik de scepter over het Koninklijk Winterswijks Mannenkoor. Ik hou van de klank van een mannenkoor, vanwege de vele boventonen.
Ik ben van mening dat een koor en een dirigent na een zekere periode, pakweg tien jaar, uit elkaar moeten gaan. Vernieuwing en verfrissing zijn nodig. Zelf ben ik op dit moment in zo’n periode. Ik heb afscheid genomen van een paar koren.
Er is nu plaats voor nog een nieuw koor. Ik neem daar de tijd voor, want ambitie is er ook.
Bovendien zijn er in dit vak altijd ad-hoc-werkzaamheden. Zo ben ik mede-organisator van liturgische korendagen die vanuit het dekenaat Arnhem worden georganiseerd. 
Die afwisseling in activiteiten vind ik heerlijk.

Ik wil je bedanken voor het gesprek. Ik heb je leren kennen als enthousiast en gedreven, in al je bezigheden.

Geen dank. Het was me een genoegen.